01

Begin met de route, niet met een intern onderzoek

De Wet kinderopvang regelt twee verschillende handelwijzen. Artikel 1.51a verplicht de houder een meldcode vast te stellen voor signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen. Artikelen 1.51b en 1.51c regelen de meld-, overleg- en aangifteplicht bij een mogelijk seksueel misdrijf of mishandeling van een opgevangen kind door een persoon die taken voor de opvang uitvoert. Hetzelfde woord ‘vermoeden’ kan dus tot een andere eerste stap leiden.

De Inspectie van het Onderwijs registreerde in 2024 in totaal 373 dossiers rond de kinderopvang, tegenover 271 in 2023. De inspectie waarschuwt dat uit die stijging geen oorzaak kan worden afgeleid. Het cijfer is ook geen aantal bewezen incidenten. Het onderstreept wel dat een organisatie niet kan wachten met rolverdeling totdat zich een concrete melding voordoet.

  • Zorg over geweld, verwaarlozing of onveiligheid in de thuissituatie: doorloop de meldcode en het afwegingskader.
  • Mogelijk seksueel misdrijf of mishandeling van een opvangkind door een collega of andere met taken belaste persoon: volg direct de meld-, overleg- en aangifteplicht.
  • Vermoeden tegen de houder: gebruik de afzonderlijke route waarbij de houder niet het interne meldpunt is.
  • Andere klachten of ongewenst gedrag: beoordeel de passende klachten-, veiligheids- en arbeidsrechtelijke route en vraag zo nodig advies aan de vertrouwensinspecteur.

02

De meldcode bestaat uit vijf stappen, niet uit automatisch melden

De landelijke meldcode begint met het in kaart brengen van signalen. Daarna volgen overleg met een collega of zo nodig Veilig Thuis, een gesprek met betrokkenen, een beoordeling van de ernst en ten slotte de beslissing over hulp organiseren en melden. In stap vijf is melden bij Veilig Thuis noodzakelijk bij acute of structurele onveiligheid, of wanneer passende hulp niet kan worden geboden of niet tot blijvende veiligheid leidt.

Werkgevers in de kinderopvang moeten de meldcode vaststellen, implementeren en het gebruik ervan bevorderen. Praktisch betekent dit meer dan een pdf op intranet. Medewerkers, invalkrachten en stagiairs moeten weten waar de actuele route staat, met wie zij kunnen overleggen, wie bij afwezigheid vervangt en waar de doorlopen stappen feitelijk worden vastgelegd. Maak daarbij zichtbaar welke onderdelen wettelijke stappen zijn en welke onderdelen de organisatie zelf heeft ingericht.

Leg waarnemingen, bron, datum, overleg, afweging en besluit vast zonder vermoedens als feiten te formuleren. De Rijksoverheid verlangt dat de doorlopen stappen worden gedocumenteerd. Beperk toegang tot de informatie tot functies die deze voor de veiligheidsbeslissing nodig hebben en voorkom dat gevoelige kind- of gezinsinformatie breed in personeelsnotities terechtkomt.

03

Bij een vermoeden tegen een medewerker geldt onmiddellijke escalatie

Wanneer een medewerker op enigerlei wijze bekend wordt met een mogelijk seksueel misdrijf of mishandeling van een opgevangen kind door een persoon die voor de opvang taken uitvoert, moet die medewerker de houder direct informeren. De houder moet vervolgens onverwijld overleggen met de vertrouwensinspecteur kinderopvang. Concluderen zij dat er een redelijk vermoeden van een strafbaar feit bestaat, dan doet de houder direct aangifte bij de politie en stelt de vertrouwensinspecteur daarvan op de hoogte.

De groep ‘met taken belaste personen’ is breder dan medewerkers met een arbeidsovereenkomst. De Inspectie noemt onder meer pedagogisch medewerkers, gastouders, huisgenoten en stagiairs. Maak de route daarom bekend aan iedereen die in of voor de opvang werkt en richt het meldpunt niet uitsluitend als HR-proces voor eigen personeel in.

Start niet eerst een volledig intern feitenonderzoek om te bepalen of contact met de vertrouwensinspecteur nodig is. De wettelijke overlegstap begint al wanneer de houder kennis krijgt van het mogelijke vermoeden. De vertrouwensinspecteur luistert, adviseert en helpt de vervolgstap bepalen, maar verricht zelf geen waarheidsvinding. Een interne beoordeling kan later nodig zijn, maar mag de wettelijke route en directe bescherming van kinderen niet vertragen.

04

Regel vooraf wie handelt als de houder onderwerp van het vermoeden is

Artikel 1.51c voorkomt dat een melding vastloopt wanneer de houder zelf mogelijk het seksueel misdrijf of de mishandeling heeft gepleegd. In dat geval kan de medewerker of gastouder rechtstreeks met de vertrouwensinspecteur overleggen. Als moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden, doet degene die de route volgt direct aangifte. Een intern protocol moet dus expliciet een kanaal buiten de beschuldigde houder bevatten.

Scheid in de crisisorganisatie drie beslissingen: wat direct nodig is voor de veiligheid van kinderen, welke wettelijke meld- en overlegstappen worden gezet en welke arbeidsrechtelijke maatregel tegenover een medewerker passend en toegestaan is. Tijdelijk anders inzetten, vrijstellen van werk, intern onderzoek en communicatie met ouders vragen ieder een eigen afweging. Een melding bewijst nog geen schuld; laat arbeidsrechtelijke besluiten daarom afzonderlijk en zo nodig met juridisch advies nemen.

Wijs per organisatie de bereikbare houder of functionaris aan die namens de houder de eerste acties coördineert, plus een vervanger. De wettelijke verantwoordelijkheid blijft bij de houder. Oefen de route met locatiemanagers en HR aan de hand van verschillende scenario’s, controleer of telefoonnummers en documenten actueel zijn en organiseer opvang voor het kind, de melder, het team en andere direct betrokkenen.

Toepassen

Werkgeverscheck

Gebruik deze controlelijst als startpunt. De concrete situatie, cao-tekst en actuele wetgeving blijven bepalend.

  1. Maak in één beslisboom zichtbaar wanneer de meldcode en wanneer de meld-, overleg- en aangifteplicht geldt.
  2. Zorg dat medewerkers, invalkrachten, stagiairs en gastouders de route en hun directe meldpunt kennen.
  3. Wijs een bereikbare coördinator en vervanger aan zonder de wettelijke verantwoordelijkheid van de houder weg te organiseren.
  4. Leg signalen, bron, tijdstip, overleg en besluiten feitelijk en beperkt toegankelijk vast.
  5. Laat een intern onderzoek de directe melding aan de houder of het overleg met de vertrouwensinspecteur niet vertragen.
  6. Leg een afzonderlijke externe route vast voor een vermoeden tegen de houder.
  7. Scheid kindveiligheid, wettelijke escalatie en arbeidsrechtelijke maatregelen in de besluitvorming.
  8. Test de route periodiek en controleer telefoonnummers, vervanging, toegang tot documenten en nazorg.

Bronverantwoording

Primaire en sectorale bronnen

Geraadpleegd op 22 augustus 2026. We volgen wijzigingen en actualiseren de publicatie wanneer de norm of bron verandert.